Slijtage als zegen?

Ik heb pijn in mijn onderrug en het fysieke werk dat ik doe is zonder twijfel de oorzaak hiervan. Even iets te zwaar getild, een klus te snel willen afmaken, even de verkeerde werkhouding, en het is gelijk mis.
Onderrug en nek zijn mijn zwakke plekken. Nu is het de rug, volgende week misschien de nek.
‘Wegdenken’ helpt soms – me concentreren op taken, bezig zijn met dingen; de zeurende pijn verdwijnt dan steeds verder naar de achtergrond.
’s Nachts in bed verlost de slaap. Maar als ik wakker wordt is-ie er weer en draai ik me van de rugligging in de zijligging en vice-versa zonder verlichting te voelen.
Gelukkig is het meestal na enkele dagen weer over, maar na een volgende zware klus meld-ie zich weer en verdwijnt en is er weer en….

Slijtage heet zoiets, ik ben 57, de jaren gaan tellen. Een waarschuwing, een stem: je hebt niet het eeuwige leven, je lichaam verslijt en is straks helemaal versleten en dan is het tijd om te gaan.

Ik moet nog een jaar of tien tot mijn pensioen en da’s best wel lang met zwaar werk en rugpijn. Maar wat is wijsheid? Ik voel me gesetteld op mijn huidige werkplek – negen jaar ervaring en vakkennis betaalt zich inmiddels uit in een goed stuk werk, gewaardeerd door mijn werkgever. Nu weggaan voelt als een vlucht voor de verantwoordelijkheid, het in de steek laten van het bedrijf. Dus wat is wijsheid?

Het heeft ook iets met God te maken, het idee dat ik op deze werkplek moet zijn en dientengevolge niet zomaar weg kán. Gezegend zijn en blijven mét rugpijn en een zere nek, het klinkt raar, maar het kán wel.


Pilletje tegen praten

Ik ben sinds een paar weken aan de Dexamfetamine. Een pilletje dat bedoeld is tegen de drukte in mijn hoofd en – als gevolg daarvan – het hardop tegen mezelf praten als ik alleen ben.
Of als ik dénk dat ik alleen ben en daarin zit dus een belangrijk deel van mijn probleem: soms staat er onverwacht iemand naast of achter me terwijl ik tegen mezelf praat en dan schaam ik me. Want wat zal die persoon niet van mij denken? Die ziet mij vast als een zonderling, een vreemd iemand. Ik geneer me dan ook enorm op zo’n moment.
Mijn autisme-psycholoog vind dat ik me nergens voor hoef te schamen, dat dit ‘gewoon’ bij mij hoort maar mijn geest wil hier niet aan en blíjft zich schamen. Vandaar dus dit pilletje.

Dexamfetamine is een broertje van Ritalin. Beide medicijnen zijn bedoeld om de concentratie te vergroten, het gefocust zijn op de taak waar je in een gegeven moment mee bezig bent. Met in mijn geval de hoopvolle verwachting dat deze concentratie mijn geest rustiger maakt en dientengevolge het hardop praten minder.

Ik ben gestart met Ritalin, maar er veranderde weinig tot niets. Na overleg met mijn behandelaar is de beslissing genomen om over te stappen op Dexamfetamine. Maar ik merk tot nu toe ook met dit pilletje geen verandering.

Jammer, ik heb eerder al eens een antipsychoticum gekregen van mijn behandelaar voor dit probleem, maar dat vond ik een te zwaar medicijn. Er zitten gezondheidsrisico’s aan dit soort middelen en ik wil graag gezond ouder worden…

Als Dexamfetamine definitief niks is, probeer ik misschien nog een rustgevend pilletje van het Kruidvat, Valdispert of zoiets. Kijken of dát iets doet. En anders blijft het bij mijn dagelijkse dosis Efexor (een anti-depressivum) en Buspiron (een angstremmer). En hobbel ik op die manier door naar de eindstreep, hardop pratend in mezelf… 🙂 😦

Burenruzie

Een echtpaar van in de veertig. Man werkloos, ontevreden, een type met een erg kort lontje die van kleine dingen al over de rooie kan gaan: een verkeerde opmerking van zijn vrouw, een zoekgeraakte aansteker, een buurman die hem aanspreekt over harde muziek. Begint dan al gauw te schreeuwen en te schelden en smijt dingen door het huis. Zijn vrouw is psychisch kwetsbaar en werkt in deeltijd. Thuis staat ze midden in de turbulentie van het geschreeuw en gescheld van manlief en probeert dan te sussen, te bemiddelen als het moet, maar meestal zonder succes.

En wij zijn de buren, mijn vrouw en ik. Een man met autisme en een vrouw met schizofrenie en een rugzakje vol vervelende herinneringen aan vroeger. Allebei overgevoelig voor geluid – klussende buurtbewoners, herrie op straat, geschreeuw bij de buren…..
Deze huizen zijn gehorig, de muren dun. Ja, we maken alles mee onze kant van de muur: de woede-uitbarstingen, de muziek die buurman soms veel te hard draait, de tv op hoog volume, gebonk tegen de muur.

Gisteravond rond half elf: we lagen al een tijdje in bed toen mijn vrouw me wakker maakte. Ze kon niet slapen vanwege de geluiden die vanuit de naastgelegen woonkamer van de buren kwamen. Ze hadden muziek opstaan en zongen zelf enthousiast mee met de liedjes. Ik sliep erdoorheen dankzij Ohropax oordopjes, mijn vrouw kon er niet van slapen.
Ze was de aanhoudende overlast spuugzat en wilde de politie bellen, maar besloot om eerst op de muur te bonken in een poging de herrie te stoppen.
Dit bleek een foute beslissing te zijn want voor buurman was dit een lont in het kruitvat. Hij zette ‘It’s my life’ van Bon Jovi op, keihard, als een niet mis te verstaan antwoord op ons klopsignaal: bemoei je met je eigen zaken, ik doe wat ik zelf wil.

We gingen uit bed. Vrouw belde de politie die beloofde langs te komen, terwijl de muziek onverminderd hard doorstampte. Ik trok mijn ochtendjas aan, haalde de deur van het nachtslot, ging naar buiten en belde bij ze aan. Zij deed open, ik deed mijn beklag en vertelde ook dat de politie was gebeld. Hij wilde erbij komen, maar zijn vrouw hield hem tegen. Hij was enorm opgefokt, schold me uit voor kankermongool, wilde me bijna te lijf gaan. Buurvrouw sloot haastig de deur, ik ging terug, mijn vrouw belde opnieuw de politie.

Toen de sterke arm arriveerde was alles donker en stil bij de buren. De politie vertrok weer, min of meer onverrichter zake, maar beloofde wel onze melding op te slaan in hun systeem. Voor de volgende keer…..

En wij bleven zitten met de stress en, in mijn geval, met een schuldgevoel over de aanpak van dit incident: dat op de muur bonken was achteraf gezien niet zo verstandig, daarmee lok je agressie uit. Ik had beter eerst aan kunnen bellen bij hen. Maar ja, dat is wijsheid achteraf….

Bidden

Ik probeer contact met God te krijgen op de manier die wordt aangemoedigd door bijbel en kerk: door te bidden.
Ik zoek een afgezonderde, stille plek op. Ik kniel op de grond. Sluit mijn ogen. Vouw mijn handen. Probeer me te concentreren op de woorden die ik in mijn geest uitspreek –

‘Wilt u mij….’, ‘Zegen mij….’, Help me met…’, Bewaar me voor….

Al heel gauw ga ik zinnen herhalen, simpelweg omdat ik niks nieuws meer weet maar wel wil doorgaan met bidden. Want je moet blíjven bidden, is mij geleerd. Blíjven bidden. Maar mijn gedachten dwalen gauw af naar de dingen van alledag, als een vogel die probeert te vliegen maar niet genoeg kracht heeft om op te stijgen van zijn tak.

Bidden is een moeizame bezigheid: je praat tegen een onbekende, een afwezige. Tegen iemand die veronderstelt wordt te horen, zonder dat dit echt blijkt. Iemand die niet reageert, die zwijgt. Er is geen echt contact, het is eenrichtingsverkeer.

Je leest weleens van mensen die uren aan een stuk bidden. Hoe doen ze dat? Hoe houden ze dat vol? Ik vind vijf minuten bidden al te lang….

 

Naschrift: ik vond in de Google Play Store een bijbel- en gebedsapp die mij misschien kan helpen. Hij heet Jozua (Jozua Project) en is gemaakt door de Hervormde gemeente Rijssen. Elke dag is er een gebed dat je kunt nabidden. De app is voor Android en Apple en oogt gebruiksvriendelijk. Hieronder een screenshot met begeleidende tekst van de app.

 

Op ‘Jozua’ staan iedere dag nieuwe Bijbelverhalen en-studies voor je klaar. Verder kun je alleen of met elkaar zingen en bidden.
De app is bedoeld voor kinderen, jongeren, volwassenen maar ook voor gezinsmomenten.

‘Jozua’ kent een vaste indeling
– Bijbel lezen
– Zingen
– Bidden

Per rubriek is er de volgende verdeling:
– Volwassenen
– Jongeren
– Gezinnen

Verhalen

Natte sneeuw buiten.
Kou binnen, in mijn lijf.
Geen stress, da’s dan weer meegenomen.

Wel altijd die stoorzender in mijn hoofd die met allerlei verhalen komt, verzonnen verhalen meestal – een deel van mijn zelf dat ‘iets anders’ wil, een ander leven, meer aanzien, verblijven in een warm land, levensvervulling, respect van anderen – wat dan ook.
Tegen die stoorzender helpt geen pilletje-van-de-dokter, weet ik inmiddels uit ervaring. Het zit te diep.

Ik ben wat die verhalen betreft alles en iedereen al geweest: Frodo de Hobbit, een nobele vorst, een sportheld, premier van Nederland, president van Amerika, verlosser van armen en misdeelden, vredestichter, succesvol schrijver, gevierd musicus, vrouwenversierder, alleen op een onbewoond eiland…..

Maar al die schijngestalten ben ik in de echte wereld niet en zal ik waarschijnlijk ook nooit worden. Maar toch blijven ze komen, die verhalen. En ik geef eraan toe. En ik denk dat ik zonder die verhalen in de echte wereld misschien niet of minder goed zou kunnen functioneren. Want ‘escapisme’ of ‘dagdromen’ of hoe je het ook wilt noemen, zorgt voor een stukje ontspanning, een kanaal waarlangs een deel van de opgebouwde spanning van het leven van alledag kan wegvloeien. Even de blik naar binnen gericht in plaats van naar buiten. Even weg. Even loslaten.

Tegenop zien

Er is altijd wel iets waar ik tegenop zie:

  • op familiebezoek gaan
  • familie op bezoek krijgen
  • ‘vreemden’ op bezoek krijgen
  • naar de dokter, naar de tandarts, naar de psycholoog
  • iets ‘leuks’ doen met mijn vrouw
  • interactie op het werk, smalltalk met collega’s in de pauze
  • buurtbewoners tegen het lijf lopen buiten op straat en dan iets ‘moeten’ zeggen

Het heeft allemaal te maken met met mijn geremdheid, mijn autisme, mijn gevoelens van onzekerheid over mezelf, het altijd dicht onder de oppervlakte sluimerende gevoel van minderwaardigheid en daaraan gekoppeld de angst dit weerspiegeld te zien in de ogen van anderen, de angst om afgewezen te worden en geminacht te worden, niet serieus genomen te worden. De angst om fouten te maken, om voor schut te staan.
Het zijn voor een belangrijk deel relicten uit mijn jeugd en dan met name uit de puberteit. Een zekere mensenschuwheid en mensenangst kleeft mij sinds die tijd aan als een tweede huid.

Ja, ik heb altijd moeite met communicatie, met luisteren naar een ander en alles wat daarbij komt kijken – belangstelling tonen, op de juiste wijze reageren op wat de ander zegt, op de juiste toon, met de juiste oogopslag. Aankijken, niet wegkijken. Aankijken, niet staren. Niet naar de grond kijken, niet naar de borsten kijken als het een vrouw is.

En telkens die onzekerheid: zeg ik het wel goed? Reageer ik niet verkeerd? De ander aftastend, peilend of uit zijn weerwoord en/of lichaamstaal iets blijkt van afkeuring, van negativiteit als gevolg van mijn houding en communicatie. Opgelucht als het gesprek ten einde loopt en ik het er niet al te slecht vanaf heb gebracht. Maar altijd onzeker hierover naderhand….

Iemand begroeten aan het begin en afscheid nemen aan het eind van de ontmoeting is een verhaal apart. Wat zeg je tegen iemand? Is mijn rechterhand schoon en droog als ik een hand schud? En hoe neem je naderhand afscheid: geef je dan opnieuw een hand of hoeft dat niet? En zeg je alleen ‘Tot ziens’ of is dat te kaal? Allemaal vragen, weinig antwoorden. En weinig verandering.

Waar is God?

Bent U daar ergens?

Als ik kijk naar alle ellende in de wereld in heden en verleden, ga ik meteen twijfelen aan het bestaan van een almachtige en algoede God.
En dan moet ik soms denken aan de Tweede Wereldoorlog en alle ellende in die periode, en hoe zulks voorkomen had kunnen worden door een geslaagde aanslag op de grote aanstichter van deze ramp: Adolf Hitler.

Het is droevig maar waar: op Hitler werd maar liefst 42 keer een aanslag gepleegd en alle 42 aanslagen mislukten! En zo kon de führer van het Duitse Rijk ongehinderd doorgaan met zijn moorddadige werk – de Holocaust, de oorlog tegen Rusland, de bezetting en uithongering van ons eigen land en andere landen, de terreur tegen iedereen die zich verzette tegen zijn dictatuur.

Tot het bittere einde ging deze tragedie door, met als droevig resultaat zo’n 50 miljoen doden – of waren het er meer? En dan nog het leed van al die nabestaanden. Als slechts één van die 42 pogingen om hem uit te schakelen gelukt was, had dat miljoenen slachtoffers kunnen schelen. Waarom mochten ze niet slagen? Had God niet een klein beetje kunnen helpen? Als je daarover nadenkt, zegt dat dan iets over het bestaan van God??

We leven in een wereld waarin het kwaad vaak de overhand lijkt te hebben, en pogingen van mensen om daar iets aan te doen vaak falen en God afwezig lijkt te zijn. Een Opperwezen dat zwijgt en op sommige in mijn ogen cruciale, momenten de wereld aan zichzelf over lijkt te laten. Een God die alleen lijkt te bestaan in verhalen uit vroeger tijd.

De worsteling van Primo Levi met godsbestaan ná Auschwitz is de worsteling van heel veel mensen.

Maar mijn blikveld is misschien beperkt door mijn mens-zijn – ik zie wat om mij heen is in drie dimensies; een eventuele vierde of zelfs vijfde dimensie zie ik niet.
En ik mis wellicht de grotere verbanden tussen verleden, heden en toekomst – hoe alles in elkaar grijpt, dat alles met alles en iedereen te maken heeft; de wetten van oorzaak en gevolg die zich misschien wel over vele eeuwen uitstrekken. Het gegeven dat een briesje aan deze kant van de aarde een storm kan veroorzaken aan de andere kant van onze planeet – en meer.

En daarom is mijn denken hierover misschien betrekkelijk en het risico van een foute mening reëel aanwezig.
Maar geloven en blijven geloven in een God die zich lijkt te verbergen, is een harde oefening en een eenzame bezigheid….